Jubileumprijsvraag - vraag 4

We spreken vaak over ’de vogels van Kockengen’ of over ’onze vogels’.

Maar een deel van ’onze vogels“ is echt het hele jaar in onze omgeving aanwezig, we noemen deze vogels ook wel de standvogels. Voorbeelden zijn de houtduif, huismus, kauw, koolmees, merel, grauwe gans en meerkoet.

Daarnaast zijn er vogels die we alleen in de winterperiode zien, de wintergasten, zoals de kramsvogel, wilde zwaan en keep.

Een hele grote groep vogels komt alleen in de zomer naar onze omgeving om te broeden en verblijft in de winter in zuidelijke streken. Voorbeelden van deze zomergasten zijn fitis, tjiftjaf, boerenzwaluw, kleine karekiet, rietzanger, grutto, tureluur, purperreiger en zwarte stern.

De zwarte sterns verschijnen meestal rond 1 mei en zijn, bij succesvol broeden, al weer rond half juli vertrokken. De rest van het jaar verblijven ’onze zwarte sterns’ op het Ijsselmeer, tot half september en vertrekken dan naar West Afrika.

Een vogel is ook zeer karakteristiek voor Kockengen, een echte zomervogel, die hier maar 3 maanden verblijft om zijn jongen groot te brengen. Deze vogel verschijnt meestal rond 25 april - 1 mei en is rond 10 augustus weer vertrokken. Hij wordt dan ook wel de 𣺜 dagen vogel“ genoemd.

Welke vogel wordt hier bedoeld?

Antwoorden kunnen tot 7 augustus 2014 opgestuurd worden naar jubileum@natuurgroepkockengen.nl.


De karakteristieke vlucht van de 100-dagen vogel.